zondag 13 oktober 2013

L'histoire se repete

Moeder worden. Het enige wat je er tegenwoordig voor hoeft te doen, is een baby door het geboortekanaal te persen. Of een keizersnede ondergaan, of adopteren. Niet bepaald moeilijk.
Oké, bevallen was geen pretje, maar dat weet je van tevoren, dat het geen dagje welness wordt eens de tijd daar is. Maar de voldoening achteraf zou zo groot zijn als je dat kleine roze rimpelige hoopje in je armen houdt, dat je meteen alle ellende vergeet. Zeggen ze.
Ze zeggen nooit dat de ellende dan pas begint.
Moeder. Het klinkt als een elitaire titel waar veel vrouwen niet eens recht op hebben. Het hebben van een of meer kinderen maakt je geen Moeder, vind ik. Ik zou mezelf geen Moeder durven noemen.
'Moeder', dat is een eretitel voor vrouwen die goed voor hun kinderen zorgen, onvoorwaardelijk van hen houden, alles opgeven met de glimlach en hun hele verdere leven op een roze wolk zitten. Het is een roeping die verder gaat dat die biologische voortplantingsdrang.
Héél even mocht ik van die roze wolk proeven, ruim een jaartje. De kans zat er dus dik in dat ik goed op weg was om zo'n 'Moeder' met hoofdletter M te worden. Wat was ik trots! Wat een vreugde, wat een geluk! Niks deed er nog toe, alleen dat bolle hummeltje. Ik dwong iedereen om hem overlopend van bewondering gade te slaan. En dat deden ze, je moet een 'Moeder' nooit tegenspreken weet iedereen.
Waar is het dan misgegaan? Wat deed ik toch fout...
Het is niet de schuld van hummel nummer twee want als ik naar hem kijk, ziet hij er even perfect uit. Maar het vuur is gedoofd. Ik ben 'Moeder'-af. Weg intens geluk, weg gillend-op-een-achtbaan-vreugde. Het enige dat is overgebleven is een soort van allesverscheurende liefde. Ik ben degene die wordt verscheurd. Heen en weer geslingerd. Met mijn hoofd tegen de muur gekwakt. Het gevoel tussen geen Moeder willen zijn en niet meer zonder hummels kunnen. Het leven is oneerlijk...
Schuldgevoel overvalt me, dag na dag, uur na uur. Had ik die roze wolk maar nooit beleefd! Nu ben ik verloren, voor de rest van mijn leven. Mijn lot is bezegeld. Geen enkele liefde zal deze kunnen overstijgen, geen enkele pijn zal zo diep snijden als deze. 
Hummels, kruimels van me... met jullie gave huidjes. Jij met je helblauwe ogen en jij met je kijkers die lijken op mosgroene agaat... het spijt me dat ik jullie moeder ben. Ik was zo graag Moeder geweest, dat verdienen jullie. En het is wreed dat jullie er meer gebaat bij zijn dat ik verder blijf aanmodderen dan dat ik weg zou gaan (het idee alleen al laat me in elkaar schrompelen!).
Knutselwerkjes vol lijm en verf prijken op de kast. Tekens van pure, naiëve devotie. Confronterend. De geschiedenis herhaalt zich...

Wij hebben dat ook

Ik was de tweede van de klas die ongesteld werd. Maar eigenlijk toch de eerste, want K, die ze een maand eerder kreeg, was een jaar blijven zitten en was ouder dan ik. Het vijfde leerjaar was nog maar een paar maanden oud, ik was er vroeg bij.

Hoewel ik nooit voorgelicht was wist ik natuurlijk wel wat er aan de hand was. Hier had ik naar uit gekeken, maar nu het zo ver was, voelde ik enkel schaamte en angst. Ik begreep niet waar dat gevoel vandaan kwam maar het was er wel. Dit moest ik verborgen houden. Koste wat kost.

Thuis pikte ik zo nu en dan een maandverbandje uit de kast van mijn zus. Niet te vaak, want dan zou het opvallen. De gebruikte maandverbanden hield ik bij en gooide ik op school stiekem in de vuilnisbak. De rest van de tijd propte ik dikke lagen toiletpapier in mijn onderbroekje. Niemand mocht het weten...

Na drie dagen was het geheim geen geheim meer. Ik sliep bij mijn moeder in bed en zij had bloedvlekken op de lakens gezien. Ik had mezelf verraden.
Ze stormde de badkamer in. Ik keek haar aan, uitdagend, maar toch trillend, onzeker, bang. Ik vroeg haar wat er aan de hand was. Ze antwoordde niet en keek me in plaats daarvan heel verdwaasd aan. Haar ogen stonden glazig. Toen deed ze een greep naar mijn slipje en wilde het naar beneden trekken. Ik gilde het uit als een wild dier, was volledig overstuur. Plots was ze weg...

Nog geen minuut later stond ze weer voor me. Ze hield één van mijn slipjes in haar hand. Ze had er een maandverbandje ingekleefd en ze drukte het aan, minutenlang, heel geconcentreerd, alsof het muurvast moest zitten en nooit meer mocht loskomen. Ik keek haar verbaasd aan. Waar was ze in hemelsnaam mee bezig...
Het enige dat ze zei was: Wij hebben dat ook hoor, elke maand.
Dat weet ik wel, antwoordde ik.

Ze troonde me mee naar de woonkamer. Ze ging zitten op de bank, ik voor haar op de grond. Ze borstelde zoals elke ochtend mijn haar en maakte er twee strakke vlechten in.

Toen ging ik naar school. Vanbuiten meisje, vanbinnen vrouw.

Van onder

Over intieme lichaamsdelen werd niet gesproken, tenzij met veel schroom en omwegen.
Toen ik ongesteld werd kreeg ik geen voorlichting, geen gesprek, geen troost of begrip. Ik was makkelijk vatbaar voor vaginale infecties, als heel jong meisje al, zonder seksueel actief te zijn. Nu denk ik dat de infecties deels psychosomatisch van aard waren.
De eerste keer dat ik het had, was mijn moeder erg boos. Ze kon niet begrijpen dat ik zoiets had 'opgelopen' en toch geen seks had. Het woordje 'seks' werd trouwens ook niet uitgesproken, ze vroeg me dan of ik 'er ene aan mij had laten zitten'.
Ze ging met mij naar de huisarts, wat ik vreselijk gênant vond.

"Ja, dokter W... ze heeft een ontsteking... vanonder!"

Pas toen dokter W haar verzekerd had dat vaginale infecties doodnormaal zijn en niets te maken hoeven hebben met seks of gebrek aan hygiëne bedaarde ze. Eenmaal weer thuis werd het onderwerp weer doodgezwegen.

Ik heb nooit geweten hoe ik mezelf 'daar' moet benoemen. Vagina. Schede. Vagijn. Kut. Poesje. Spleetje. Gleuf. Geboortekanaal.

Alles klinkt even walgelijk, smerig, onnozel. Stuk voor stuk woorden waar ik een hekel aan heb en die niet bij me passen.

Door het nooit benoemd te hebben, is het een deel van me geworden waar ik me voor schaam, waar ik bang voor ben.
Een deel dat ik niet kan aanvaarden als een deel van mezelf.

Ontspanning

Mijn moeder heeft me geleerd dat seks slecht is.
Die boodschap gaf ze me door mij de pil af te pakken, mijn condooms uit mijn portemonnee te halen, mij twee jaar huisarrest te geven toen ik toch voor het eerst met iemand naar bed ging.
Haar allergrootste angst was dat ik met seks in aanraking zou komen, met jongens, mannen. Er werd niet over gesproken, en tijdens kusscènes op tv vielen er altijd ongemakkelijke stiltes. Ik bloosde dan hevig, niet om wat ik zag, maar omdat ik me schaamde, alsof ik het was die daar hevig stond te zoenen en ik voelde hoe afkeurend mijn moeder me gadesloeg.

Toen ik zeventien was betrapte mijn moeder me toen ik op mijn kamer masturbeerde. Ik schrok en schaamde me, maar ik had verwacht dat ze gewoon weer weg zou gaan. In de plaats daarvan bleef ze staan in de deuropening en schold me de huid vol. Waar ik mee bezig was, of het dààrom was dat ik zo'n onhandelbare puber was, omdat ik eens goed *** wou worden. Ze zei me dat ik nét mijn vader was, die was ook seksverslaafd... Ik had me van het bed af laten zakken aan de kant waar ze me niet kon zien en probeerde - al liggend op de grond - mijn broek weer over mijn billen te trekken terwijl ik hysterisch huilde. Ze ging weg en er is niets meer over gezegd, maar ik kreeg dagenlang de doodzwijg-behandeling...

Later, ik moet al acht- of negentien geweest zijn, verdween uit mijn kamer mijn Justine, het erotisch boek van Markies de Sade. Ik vond het verscheurd en uit elkaar gerukt in de vuilnisbak, tussen de aardappelschillen.

Seks mocht niet. Seks was vuil en vies. Ik was verdorven. Die boodschap kreeg ik mee van mijn moeder. Het resultaat was dat ik het ergens ben gaan geloven en haar grootste angst waarmaakte door de prostitutie in te gaan. Ik ging me gedragen naar het beeld dat zij van me geschapen had, dat zij me voorhield.

Ik ben nu zo ver dat ik weet dat zij verkeerd was. Seks hoeft niet vies te zijn. Ik ben niet smerig en verdorven, en ik lijk niet op haar, noch op mijn vader die mijn zussen heeft aangerand toen ze amper negen en elf waren. Dit alles wéét ik. Alleen voelt het niet zo...

Ik zou willen dat deze hersenspoeling met onmiddellijke ingang ongedaan kon worden gemaakt, als ik maar wist hoe.
Ik zou willen dat ik opnieuw kan ontspannen, kan genieten, met iemand die ik vertrouw, in plaats van die brok in mijn keel te krijgen bij elke aanraking en mijn moeder voor me te zien die vol walging op me neerkijkt.
Mama, wat heb je me toch aangedaan...

Godin

Ik wil dat je Mij aanbidt als een Godin. Dat je ontzag voor Me hebt, zelfs een beetje bang voor Mij bent.
Ik wil dat je Me vereert, dat je een hele dag snakt naar één enkele blik, één enkel woord van Mij. Ik wil dat je Me smeekt om tegen je te praten, om je aan te raken. Ik wil je zien hunkeren en smachten, ik wil lijden zien, lijden dat je ziel helemaal verteert. Alleen Ik heb de macht om een einde te maken aan dat lijden.

Mijn strenge maar liefdevolle blik zal zalvend zijn, Mijn hand die eindelijk je haren streelt zal je in vervoering brengen. Je slaakt een zucht...

Ik leid je naar ons, nee, naar Mijn bed, het altaar, waar Ik je zal toestaan Mij aan te raken, eerst met gesloten ogen. Je mag absoluut niet kijken...

Dien Mij. Bevredig Mij. Laat je handen dwalen over mijn lichaam, langzaam, niet te gretig! Voel hoe Mijn tepels zich erecteren, hoe hard ze worden onder de streling van je tong. Ik duw je hoofd naar beneden, dààr, tussen Mijn dijen, dààr moet je wezen. Doe je werk. Drink van Mij, laaf je aan Mijn bitterzoete nectar tot je dronken en duizelig wordt. Of nee, tot IK zeg dat het genoeg is.

Snelle ademhaling. Klauwende nagels. Een gil. Ik ruk je hoofd opzij. Stop!

Nu mag je je ogen openen... Je kijkt Me wazig en verlangend aan. Je harde mannelijkheid schokt van opwinding. Maar Ik ben moe... Ik wil slapen, lang en diep...
Ik zie de teleurstelling op je gezicht. Je hebt je werk naar behoren uitgevoerd, dus ik sta je toe om vannacht bij Mij te blijven. Ik sluit Mijn ogen en zak weg in een heerlijke, diepe slaap. Ik hoor nog net hoe je zuchtend en steunend jezelf naar een hoogtepunt toewerkt. Tevreden en dankbaar sluit ook jij je ogen.
De nacht kijkt toe hoe we ons weer opladen...

Vlekken op mijn ziel

Ik was jong. Een tienermeisje nog. Eenzaam en onbegrepen.
Jij was ouder. Schreef gedichten. Praatte tegen me op een lieve, beschermende toon.

Of ik je wou ontmoeten? Ja, driedubbel ja!

We spraken af bij het treinstation. Ik schrok toen ik je zag. Je was lelijk, maar daar had ik geen probleem mee. Iemands uiterlijk deed er voor mij niet toe en dat doet het nog steeds niet. Waar ik van schrok was de onverzorgde, bijna ontbindende staat waarin je lichaam verkeerde. Ik probeerde me over mijn walging heen te zetten en gaf je toch een kus op je wang ter begroeting. Je lachte je scheve, lichtbruine tanden bloot en raakte mijn blote arm even aan met je al even getaande vingers. Ik huiverde.

Stap in, zei je. We gaan wat drinken. Ik voelde de verstarring en aarzeling in mijn lichaam maar stapte toch in. Ik was niet eens verbaasd toen ik zag dat je niet de stad inreed.
Voor ik het wist bevonden we ons midden in de Haspengouwse velden. Je hield halt en keek me aan...
Ik voelde hoe mijn keel dicht zat. Ik kon niets uitbrengen. Dit was mijn eigen, domme schuld...

Het enige dat ik kon uitbrengen was dat ik ongesteld was, dat het niet kon. Je stapte uit, deed het achterportier open en bekleedde de achterbank met oude kranten. Ga daar maar op liggen, zei je kalm, dan bevuil je mijn auto niet.
In een fractie van een seconde schatte ik mijn kansen in. Kansen die ik niet had. Ik kon niet wegrennen, gillen had geen zin. Me lichamelijk verzetten durfde ik niet. Ik stapte gedwee uit en ging liggen op de stinkende hoop kranten.

Je nam me in een paar minuten. Ik huilde stilletjes. Toen je klaar was trok je mijn slipje weer over mijn billen.
De weg van het station naar huis was lang. Voorbijgangers keken me bevreemd aan. Mijn rok zat onder de bloedvlekken. Maar niemand sprak, niemand vroeg...

Thuisgekomen propte ik snel mijn kleren in de wasmachine. De vlekken zijn er echter nooit uitgegaan.

Ga weg

Je mag niet anders zijn dan de groep. Als je anders bent, dan wordt dat afgestraft.
Met een beetje mazzel word je gewoon 'raar' gevonden. Heb je pech, dan word je gehaat, gepest, verstoten, belachelijk gemaakt.

Het wordt je verweten. Je zou anders zijn gewoon omdat je dat zélf wilt, om op te vallen, aandacht te trekken.

"Doe toch eens normaal! Doe toch eens mee met de rest, gedraag je nu toch eens zoals iedereen!"

Hou er toch eens mee op om tijdens de pauze op school te gaan zitten lezen in plaats van gewoon bij de rest rond te hangen. Waarom zijn jouw opstellen altijd langer dan die van de anderen? Waarom schrijf je altijd twéé gedichten als we er maar één moeten schrijven als huiswerk? Waarom ben je zo'n wijsneus? Dit is school... we zijn hier omdat het moet. We doen wat van ons gevraagd wordt en niet meer dan dat.

Waarom doe je niet mee met de mode? Je loopt er altijd anders bij.
Waarom eet je geen vlees? Je bent dertien... Je hoort junk food lekker te vinden. Je bent nog te jong om stil te staan bij eventuele gezondheidsrisico's en de impact op het milieu.

Waarom moet jij niet meedoen aan bepaalde examens en overhoringen? Waarom word jij speciaal behandeld? Waarom trek je je terug, waarom lach je niet mee met de klas als de leraar gepest en tot het uiterste gedreven wordt? Voel je je beter, belangrijker dan ons? Is dat het? Voel je je superieur?

Je moet zijn zoals wij. Wij zijn in de meerderheid, dus jij moet je maar aanpassen. Afwijkend gedrag en andere meningen worden hier niet getolereerd.

Je bent niet alleen raar of anders... Je bent een plaag. Een geïnfecteerde plek binnen onze groep.
Wij willen niet dat iedereen geïnfecteerd raakt. Dus sluiten we je uit.

Jij hoort hier niet. Jij hoort niet bij ons.

En als je niet vanzelf weggaat, dan zorgen wij er wel voor...

Ga weg. Wij moeten je hier niet.