zondag 13 oktober 2013

L'histoire se repete

Moeder worden. Het enige wat je er tegenwoordig voor hoeft te doen, is een baby door het geboortekanaal te persen. Of een keizersnede ondergaan, of adopteren. Niet bepaald moeilijk.
Oké, bevallen was geen pretje, maar dat weet je van tevoren, dat het geen dagje welness wordt eens de tijd daar is. Maar de voldoening achteraf zou zo groot zijn als je dat kleine roze rimpelige hoopje in je armen houdt, dat je meteen alle ellende vergeet. Zeggen ze.
Ze zeggen nooit dat de ellende dan pas begint.
Moeder. Het klinkt als een elitaire titel waar veel vrouwen niet eens recht op hebben. Het hebben van een of meer kinderen maakt je geen Moeder, vind ik. Ik zou mezelf geen Moeder durven noemen.
'Moeder', dat is een eretitel voor vrouwen die goed voor hun kinderen zorgen, onvoorwaardelijk van hen houden, alles opgeven met de glimlach en hun hele verdere leven op een roze wolk zitten. Het is een roeping die verder gaat dat die biologische voortplantingsdrang.
Héél even mocht ik van die roze wolk proeven, ruim een jaartje. De kans zat er dus dik in dat ik goed op weg was om zo'n 'Moeder' met hoofdletter M te worden. Wat was ik trots! Wat een vreugde, wat een geluk! Niks deed er nog toe, alleen dat bolle hummeltje. Ik dwong iedereen om hem overlopend van bewondering gade te slaan. En dat deden ze, je moet een 'Moeder' nooit tegenspreken weet iedereen.
Waar is het dan misgegaan? Wat deed ik toch fout...
Het is niet de schuld van hummel nummer twee want als ik naar hem kijk, ziet hij er even perfect uit. Maar het vuur is gedoofd. Ik ben 'Moeder'-af. Weg intens geluk, weg gillend-op-een-achtbaan-vreugde. Het enige dat is overgebleven is een soort van allesverscheurende liefde. Ik ben degene die wordt verscheurd. Heen en weer geslingerd. Met mijn hoofd tegen de muur gekwakt. Het gevoel tussen geen Moeder willen zijn en niet meer zonder hummels kunnen. Het leven is oneerlijk...
Schuldgevoel overvalt me, dag na dag, uur na uur. Had ik die roze wolk maar nooit beleefd! Nu ben ik verloren, voor de rest van mijn leven. Mijn lot is bezegeld. Geen enkele liefde zal deze kunnen overstijgen, geen enkele pijn zal zo diep snijden als deze. 
Hummels, kruimels van me... met jullie gave huidjes. Jij met je helblauwe ogen en jij met je kijkers die lijken op mosgroene agaat... het spijt me dat ik jullie moeder ben. Ik was zo graag Moeder geweest, dat verdienen jullie. En het is wreed dat jullie er meer gebaat bij zijn dat ik verder blijf aanmodderen dan dat ik weg zou gaan (het idee alleen al laat me in elkaar schrompelen!).
Knutselwerkjes vol lijm en verf prijken op de kast. Tekens van pure, naiëve devotie. Confronterend. De geschiedenis herhaalt zich...

Wij hebben dat ook

Ik was de tweede van de klas die ongesteld werd. Maar eigenlijk toch de eerste, want K, die ze een maand eerder kreeg, was een jaar blijven zitten en was ouder dan ik. Het vijfde leerjaar was nog maar een paar maanden oud, ik was er vroeg bij.

Hoewel ik nooit voorgelicht was wist ik natuurlijk wel wat er aan de hand was. Hier had ik naar uit gekeken, maar nu het zo ver was, voelde ik enkel schaamte en angst. Ik begreep niet waar dat gevoel vandaan kwam maar het was er wel. Dit moest ik verborgen houden. Koste wat kost.

Thuis pikte ik zo nu en dan een maandverbandje uit de kast van mijn zus. Niet te vaak, want dan zou het opvallen. De gebruikte maandverbanden hield ik bij en gooide ik op school stiekem in de vuilnisbak. De rest van de tijd propte ik dikke lagen toiletpapier in mijn onderbroekje. Niemand mocht het weten...

Na drie dagen was het geheim geen geheim meer. Ik sliep bij mijn moeder in bed en zij had bloedvlekken op de lakens gezien. Ik had mezelf verraden.
Ze stormde de badkamer in. Ik keek haar aan, uitdagend, maar toch trillend, onzeker, bang. Ik vroeg haar wat er aan de hand was. Ze antwoordde niet en keek me in plaats daarvan heel verdwaasd aan. Haar ogen stonden glazig. Toen deed ze een greep naar mijn slipje en wilde het naar beneden trekken. Ik gilde het uit als een wild dier, was volledig overstuur. Plots was ze weg...

Nog geen minuut later stond ze weer voor me. Ze hield één van mijn slipjes in haar hand. Ze had er een maandverbandje ingekleefd en ze drukte het aan, minutenlang, heel geconcentreerd, alsof het muurvast moest zitten en nooit meer mocht loskomen. Ik keek haar verbaasd aan. Waar was ze in hemelsnaam mee bezig...
Het enige dat ze zei was: Wij hebben dat ook hoor, elke maand.
Dat weet ik wel, antwoordde ik.

Ze troonde me mee naar de woonkamer. Ze ging zitten op de bank, ik voor haar op de grond. Ze borstelde zoals elke ochtend mijn haar en maakte er twee strakke vlechten in.

Toen ging ik naar school. Vanbuiten meisje, vanbinnen vrouw.

Van onder

Over intieme lichaamsdelen werd niet gesproken, tenzij met veel schroom en omwegen.
Toen ik ongesteld werd kreeg ik geen voorlichting, geen gesprek, geen troost of begrip. Ik was makkelijk vatbaar voor vaginale infecties, als heel jong meisje al, zonder seksueel actief te zijn. Nu denk ik dat de infecties deels psychosomatisch van aard waren.
De eerste keer dat ik het had, was mijn moeder erg boos. Ze kon niet begrijpen dat ik zoiets had 'opgelopen' en toch geen seks had. Het woordje 'seks' werd trouwens ook niet uitgesproken, ze vroeg me dan of ik 'er ene aan mij had laten zitten'.
Ze ging met mij naar de huisarts, wat ik vreselijk gênant vond.

"Ja, dokter W... ze heeft een ontsteking... vanonder!"

Pas toen dokter W haar verzekerd had dat vaginale infecties doodnormaal zijn en niets te maken hoeven hebben met seks of gebrek aan hygiëne bedaarde ze. Eenmaal weer thuis werd het onderwerp weer doodgezwegen.

Ik heb nooit geweten hoe ik mezelf 'daar' moet benoemen. Vagina. Schede. Vagijn. Kut. Poesje. Spleetje. Gleuf. Geboortekanaal.

Alles klinkt even walgelijk, smerig, onnozel. Stuk voor stuk woorden waar ik een hekel aan heb en die niet bij me passen.

Door het nooit benoemd te hebben, is het een deel van me geworden waar ik me voor schaam, waar ik bang voor ben.
Een deel dat ik niet kan aanvaarden als een deel van mezelf.

Ontspanning

Mijn moeder heeft me geleerd dat seks slecht is.
Die boodschap gaf ze me door mij de pil af te pakken, mijn condooms uit mijn portemonnee te halen, mij twee jaar huisarrest te geven toen ik toch voor het eerst met iemand naar bed ging.
Haar allergrootste angst was dat ik met seks in aanraking zou komen, met jongens, mannen. Er werd niet over gesproken, en tijdens kusscènes op tv vielen er altijd ongemakkelijke stiltes. Ik bloosde dan hevig, niet om wat ik zag, maar omdat ik me schaamde, alsof ik het was die daar hevig stond te zoenen en ik voelde hoe afkeurend mijn moeder me gadesloeg.

Toen ik zeventien was betrapte mijn moeder me toen ik op mijn kamer masturbeerde. Ik schrok en schaamde me, maar ik had verwacht dat ze gewoon weer weg zou gaan. In de plaats daarvan bleef ze staan in de deuropening en schold me de huid vol. Waar ik mee bezig was, of het dààrom was dat ik zo'n onhandelbare puber was, omdat ik eens goed *** wou worden. Ze zei me dat ik nét mijn vader was, die was ook seksverslaafd... Ik had me van het bed af laten zakken aan de kant waar ze me niet kon zien en probeerde - al liggend op de grond - mijn broek weer over mijn billen te trekken terwijl ik hysterisch huilde. Ze ging weg en er is niets meer over gezegd, maar ik kreeg dagenlang de doodzwijg-behandeling...

Later, ik moet al acht- of negentien geweest zijn, verdween uit mijn kamer mijn Justine, het erotisch boek van Markies de Sade. Ik vond het verscheurd en uit elkaar gerukt in de vuilnisbak, tussen de aardappelschillen.

Seks mocht niet. Seks was vuil en vies. Ik was verdorven. Die boodschap kreeg ik mee van mijn moeder. Het resultaat was dat ik het ergens ben gaan geloven en haar grootste angst waarmaakte door de prostitutie in te gaan. Ik ging me gedragen naar het beeld dat zij van me geschapen had, dat zij me voorhield.

Ik ben nu zo ver dat ik weet dat zij verkeerd was. Seks hoeft niet vies te zijn. Ik ben niet smerig en verdorven, en ik lijk niet op haar, noch op mijn vader die mijn zussen heeft aangerand toen ze amper negen en elf waren. Dit alles wéét ik. Alleen voelt het niet zo...

Ik zou willen dat deze hersenspoeling met onmiddellijke ingang ongedaan kon worden gemaakt, als ik maar wist hoe.
Ik zou willen dat ik opnieuw kan ontspannen, kan genieten, met iemand die ik vertrouw, in plaats van die brok in mijn keel te krijgen bij elke aanraking en mijn moeder voor me te zien die vol walging op me neerkijkt.
Mama, wat heb je me toch aangedaan...

Godin

Ik wil dat je Mij aanbidt als een Godin. Dat je ontzag voor Me hebt, zelfs een beetje bang voor Mij bent.
Ik wil dat je Me vereert, dat je een hele dag snakt naar één enkele blik, één enkel woord van Mij. Ik wil dat je Me smeekt om tegen je te praten, om je aan te raken. Ik wil je zien hunkeren en smachten, ik wil lijden zien, lijden dat je ziel helemaal verteert. Alleen Ik heb de macht om een einde te maken aan dat lijden.

Mijn strenge maar liefdevolle blik zal zalvend zijn, Mijn hand die eindelijk je haren streelt zal je in vervoering brengen. Je slaakt een zucht...

Ik leid je naar ons, nee, naar Mijn bed, het altaar, waar Ik je zal toestaan Mij aan te raken, eerst met gesloten ogen. Je mag absoluut niet kijken...

Dien Mij. Bevredig Mij. Laat je handen dwalen over mijn lichaam, langzaam, niet te gretig! Voel hoe Mijn tepels zich erecteren, hoe hard ze worden onder de streling van je tong. Ik duw je hoofd naar beneden, dààr, tussen Mijn dijen, dààr moet je wezen. Doe je werk. Drink van Mij, laaf je aan Mijn bitterzoete nectar tot je dronken en duizelig wordt. Of nee, tot IK zeg dat het genoeg is.

Snelle ademhaling. Klauwende nagels. Een gil. Ik ruk je hoofd opzij. Stop!

Nu mag je je ogen openen... Je kijkt Me wazig en verlangend aan. Je harde mannelijkheid schokt van opwinding. Maar Ik ben moe... Ik wil slapen, lang en diep...
Ik zie de teleurstelling op je gezicht. Je hebt je werk naar behoren uitgevoerd, dus ik sta je toe om vannacht bij Mij te blijven. Ik sluit Mijn ogen en zak weg in een heerlijke, diepe slaap. Ik hoor nog net hoe je zuchtend en steunend jezelf naar een hoogtepunt toewerkt. Tevreden en dankbaar sluit ook jij je ogen.
De nacht kijkt toe hoe we ons weer opladen...

Vlekken op mijn ziel

Ik was jong. Een tienermeisje nog. Eenzaam en onbegrepen.
Jij was ouder. Schreef gedichten. Praatte tegen me op een lieve, beschermende toon.

Of ik je wou ontmoeten? Ja, driedubbel ja!

We spraken af bij het treinstation. Ik schrok toen ik je zag. Je was lelijk, maar daar had ik geen probleem mee. Iemands uiterlijk deed er voor mij niet toe en dat doet het nog steeds niet. Waar ik van schrok was de onverzorgde, bijna ontbindende staat waarin je lichaam verkeerde. Ik probeerde me over mijn walging heen te zetten en gaf je toch een kus op je wang ter begroeting. Je lachte je scheve, lichtbruine tanden bloot en raakte mijn blote arm even aan met je al even getaande vingers. Ik huiverde.

Stap in, zei je. We gaan wat drinken. Ik voelde de verstarring en aarzeling in mijn lichaam maar stapte toch in. Ik was niet eens verbaasd toen ik zag dat je niet de stad inreed.
Voor ik het wist bevonden we ons midden in de Haspengouwse velden. Je hield halt en keek me aan...
Ik voelde hoe mijn keel dicht zat. Ik kon niets uitbrengen. Dit was mijn eigen, domme schuld...

Het enige dat ik kon uitbrengen was dat ik ongesteld was, dat het niet kon. Je stapte uit, deed het achterportier open en bekleedde de achterbank met oude kranten. Ga daar maar op liggen, zei je kalm, dan bevuil je mijn auto niet.
In een fractie van een seconde schatte ik mijn kansen in. Kansen die ik niet had. Ik kon niet wegrennen, gillen had geen zin. Me lichamelijk verzetten durfde ik niet. Ik stapte gedwee uit en ging liggen op de stinkende hoop kranten.

Je nam me in een paar minuten. Ik huilde stilletjes. Toen je klaar was trok je mijn slipje weer over mijn billen.
De weg van het station naar huis was lang. Voorbijgangers keken me bevreemd aan. Mijn rok zat onder de bloedvlekken. Maar niemand sprak, niemand vroeg...

Thuisgekomen propte ik snel mijn kleren in de wasmachine. De vlekken zijn er echter nooit uitgegaan.

Ga weg

Je mag niet anders zijn dan de groep. Als je anders bent, dan wordt dat afgestraft.
Met een beetje mazzel word je gewoon 'raar' gevonden. Heb je pech, dan word je gehaat, gepest, verstoten, belachelijk gemaakt.

Het wordt je verweten. Je zou anders zijn gewoon omdat je dat zélf wilt, om op te vallen, aandacht te trekken.

"Doe toch eens normaal! Doe toch eens mee met de rest, gedraag je nu toch eens zoals iedereen!"

Hou er toch eens mee op om tijdens de pauze op school te gaan zitten lezen in plaats van gewoon bij de rest rond te hangen. Waarom zijn jouw opstellen altijd langer dan die van de anderen? Waarom schrijf je altijd twéé gedichten als we er maar één moeten schrijven als huiswerk? Waarom ben je zo'n wijsneus? Dit is school... we zijn hier omdat het moet. We doen wat van ons gevraagd wordt en niet meer dan dat.

Waarom doe je niet mee met de mode? Je loopt er altijd anders bij.
Waarom eet je geen vlees? Je bent dertien... Je hoort junk food lekker te vinden. Je bent nog te jong om stil te staan bij eventuele gezondheidsrisico's en de impact op het milieu.

Waarom moet jij niet meedoen aan bepaalde examens en overhoringen? Waarom word jij speciaal behandeld? Waarom trek je je terug, waarom lach je niet mee met de klas als de leraar gepest en tot het uiterste gedreven wordt? Voel je je beter, belangrijker dan ons? Is dat het? Voel je je superieur?

Je moet zijn zoals wij. Wij zijn in de meerderheid, dus jij moet je maar aanpassen. Afwijkend gedrag en andere meningen worden hier niet getolereerd.

Je bent niet alleen raar of anders... Je bent een plaag. Een geïnfecteerde plek binnen onze groep.
Wij willen niet dat iedereen geïnfecteerd raakt. Dus sluiten we je uit.

Jij hoort hier niet. Jij hoort niet bij ons.

En als je niet vanzelf weggaat, dan zorgen wij er wel voor...

Ga weg. Wij moeten je hier niet.

Blote troost

Doorheen al die jaren waren er altijd mensen die me wilden troosten.
Kom, meisje, zet je eens op mijn knie. Vertel het maar allemaal aan mij. Ik zal luisteren. Ik begrijp je. Ik veroordeel je niet. Arm kind... Niet alle mannen zijn zo, dat weet je toch wel?

Ja, dat wist ik. Daar was ik ook van overtuigd. Nog steeds.
Daar moest ik van overtuigd zijn, van mezelf.

Ik ben niet zo hoor, ik zou een meisje nooit zo behandelen. Ik ben lief en zacht voor meisjes zoals jij. Ik zal je troosten. Vlij je maar tegen me aan.

En ik huilde en vertelde. Snikte het uit. Legde mijn ziel bloot.

Onderwijl legden zij hun penis bloot.
Want zo een teer, fragiel meisje dat zo veel aan moet kunnen, zoveel te verduren krijgt, dat werkte op hun vadergevoel. Ze wilden me troosten, er voor me zijn. Me helpen. Zij konden me genezen, me uit het dal trekken.
Maar eerst wilden zij mijn dal verkennen. Hun penis werd bloter en bloter. Ik bracht een soort kortsluiting bij hen teweeg. Ze voelden zich vader, maar dronken van mijn lichaam. Ze konden het niet tegenhouden. En ik, ik had er de kracht niet meer voor om dat te doen.

Troost

Je klampte je aan me vast. Ik hoorde je zuchten. Ik weet niet of het een zucht was van genot, of van spijt.
Had je er spijt van, dat je dit gedaan had? Werd je nu teruggeworpen in de realiteit? Dacht je eraan dat het allemaal maar alsof was geweest?
Je keek me aan, en ik kon niet thuisbrengen of het een blik was van pijn of 'verliefdheid'. Misschien wel van allebei.
Ik vroeg me af of ik je misschien méér tederheid had gegeven dan welke vrouw ook. Dat zou wel ironisch zijn...Aandachtig bleef je kijken... je glimlachte niet. Héél even vond ik je mooi. Je groene ogen en je lange, donkere wimpers. Je gave huid. Een jongen zoals jij zou dit niet mogen doen...
Onze karakters en levens lagen mijlenver uiteen en je was niet mijn type, maar toch vond ik het zonde, kreeg ik het gevoel alsof ik je 'bezoedeld' had. Hopelijk heb ik je niet bezoedeld voor het leven.
Ik kuste je nog op je voorhoofd, op je ogen, opdat ik de pijn niet zou zien.
Je kwam bij je positieven en ging douchen.

Als het een troost mag zijn, ik vond het niet erg om met je te vrijen.

BDSM

Waarom ik voor BDSM gekozen heb, waarom ik Domineer:

Ik groeide op bij mijn moeder en twee zussen. Ik was een echt nakomertje, mijn zussen scheelden tien en twaalf jaar met mij. Mijn moeder had een leven vol misbruik achter de rug door haar twee ex-mannen, dat zo angstaanjagend geweest moet zijn dat ze op een dag besloot dat er geen enkele man meer in huis kwam. Niet voor haar. Niet voor mijn zussen. Niet voor mij.

Mijn moeder was mijn Domme. Mijn Meesteres. Haar waanzinnig strikte opvoeding kwam voort uit angst, wat ik toen nog niet begreep. Mijn moeder was bang. Voor mij, voor wat me zou kunnen overkomen.
En ik was bang voor haar.

Haar strikte opvoeding evolueerde naar ernstig psychisch misbruik.
Ze indoctrineerde me, ze vernederde me, ze bepaalde alles voor me.
Wat ik at. Wanneer ik at. Welke kleren ik wanneer droeg. Met wie ik omging. Welke boeken ik las. Welke meningen ik er op moest nahouden.
Een eigen kamer had ik niet, ik sliep bij haar in bed tot ik 15 was.
Privacy heb ik niet gekend als kind en als tiener.

Ze bracht me naar school, ze haalde me van school. Bezoek mocht ik zelden tot nooit ontvangen, en als het wel mocht, dan bleef ze de hele middag bij ons zitten.
Alleen thuisblijven mocht ik niet, ook niet als ze even naar de winkel ging.

Ik mocht tegen niemand praten over hoe het er thuis aantoe ging. Ik werd dan ook dagelijks gecontroleerd, had ik nergens stiekem een dagboek, of 'hulpbriefjes' voor leraars en klasgenoten...
Eén keer waagde ik het toch, om hulp te zoeken via school...Buiten mijn weten om werd mijn moeder naar school gehaald waar ze een gesprek met haar hadden. Het resultaat daarvan was dat ik werd afgeschilderd als onhandelbare, opstandige puber, en mijn moeder als een zielige allenstaande vrouw die mij niet meer aankon.
Thuis zwaaide er natuurlijk wat...

Moeders straffen waren niet van de poes. Ze waren nooit van lichamelijke aard, later zou ik gewenst hebben dat ze dat wel waren.
Ik werd opgesloten in huis, maanden aan een stuk, één keer zelfs twee jaar. Aan uitbreken dacht ik niet, dan werd alles alleen maar erger.
Ze haalde mijn kamer overhoop en riep dan de buren erbij, zodat ze een kijkje konden nemen.
Ze noemde me een hoer, een gestoorde trut, een slet die vieze ziektes zou oplopen, enkel en alleen omdat ze me met een jongen had zien praten op school.
Ze gooide al mijn kleren uit het raam (drie verdiepingen hoog) omdat ik mijn kleren niet goed genoeg gestreken had.
Ze verweet me een slechte dochter te zijn. Een dochter die hààr verdriet aandeed... en dat vond ik nog het ergste van allemaal.

Toen ik 19 was, ben ik gevlucht. Ik rende ver weg en ben blijven rennen, blijven zwerven.

Nu ben ik bijna 32 en weet ik, begrijp ik het waarom. Ik begrijp waarom, mama.

Niemand zal mijn vrijheid nog beperken. Niemand zal mij nog vertellen wat ik moet doen en wat niet. Niemand zal mijn leven nog voor me bepalen.
Ik domineer nu op de manier waarop ik als kind gedomineerd had willen worden. Het seksuele aspect komt er nu eventueel bij, maar is voor mij vrijwel betekenisloos.

Ik ben de Domme, de Begeleidster, de Opvoedster, die ik verdiend had.
Ik kan laten zien dat IK wel weet hoe het moet. Dat ik ondanks mijn opvoeding dit kàn. Dat ik anderen, ondanks mijn ontberingen, dit gun.
Dit is mijn weg, dit is mijn heelproces, dit is mijn manier van vergeving, acceptatie en zelfliefde.

En het voelt verdomd goed.

Lief dagboek

Als jong meisje had ik een dagboek waarin ik al mijn ellende, al mijn fantasieën, in opschreef. Het was heerlijk en ik pende pagina's vol. Ik had ook wel een aantal penvrienden, maar daar kon ik niet openlijk aan schrijven hoe ik me voelde. Ik kreeg geen zakgeld dus mijn moeder betaalde de postzegels. Ik moest dan de brieven in een open envelop doen en op de kast leggen, zodat zij ze eerst kon keuren voor ze op de bus gingen. In mijn dagboeken was ik tenminste vrij - dacht ik. Maar toen verdween mijn dagboek. Op een dag was het er gewoon niet meer. Ik stelde me er wel vragen bij maar die verdrong ik. Ik begon een nieuw dagboek, dit keer met een slotje (dat ik gestolen had bij Blokker, weet ik zelfs nog). Tot ik dat dagboek opengeknipt in de vuilnisbak vond. Ik begon weer een nieuwe en ook die verdween. Jaren later, toen ik al volwassen was, vroeg mijn moeder me om iets bovenop haar kast te pakken waar ze niet bijkon. Toen zag ik een plastic zak liggen met al mijn oude dagboeken en zelfs brieven die niet verstuurd waren geweest. Ik bladerde door de boekjes en ik zag dat ze op elke pagina haar handtekening had gezet en in de kantlijnen aantekeningen had gemaakt. Héél vaak waren het opmerkingen zoals 'verzonnen' en 'mijn dochter liegt'. Natuurlijk 'loog' ik, één verhaal was bvb een fantasietje over mezelf (destijds een jaar of 13-14) met een beroemde voetballer waar ik smoor op was. Ik begreep niet waarom ze er dan LEUGENS!!!! onder geschreven had. Ik ben er érg van geschrokken, het maakte me bang. Ik was al bang voor mijn moeder maar toen kreeg ik door dat ik als kind aan nog veel ergere dingen ontsnapt was. Ik vroeg me af tot wat ze allemaal in staat geweest zou zijn...
Ik liet de zak met spullen liggen en deed alsof ik niks gezien had.

Het kloppen van je hart

Ik heb een tijd iets gehad met een getrouwde man. We zijn vriendschappelijke uit elkaar gegaan en ik koester nog steeds warme gevoelens voor hem, en hij voor mij. Dit schreef ik na één van onze ontmoetingen. Ik mis hem, ik mis het gevoel dat we elkaar gaven...

Heerlijke sensatie van koude lucht op mijn lichaam terwijl je mond en tong mijn schoot in brand zetten. Je weet precies het goede plekje te vinden, je weet hoe snel je moet gaan, hoeveel druk je moet uitoefenen, na zo'n korte tijd lijk je mijn lijf al goed te kennen. Ik ben ontspannen. We hebben tijd deze keer, véél tijd, en toch vrijen we alsof het onze eerste keer is. Ook een beetje alsof het onze laatste keer is. Het is lang geleden, en we hebben honger, honger naar elkaar. Je tong en hand spelen een synchroon spel, en ik zucht diep als mijn vulva zich met ritmische golfbewegingen om je hand klemt. Er vormt zich een natte plek onder me en ik kreun zacht, héél zacht, ondanks de vrijheid die we hier hebben.
Veel tijd om weer tot mezelf te komen gun je me gelukkig niet. Je laat me letterlijk alle hoeken van het bed, van de kamer zien. Je stoot wild, hard en diep en ik ontvang je langs beide wegen. Je bent gemiddeld geschapen, maar toch lijk je groter nu. Het schrijnt een beetje en ik geniet ervan. Onze lichamen vormen een ingewikkelde knoop die ik niet meer wil ontwarren.
Als je klaarkomt gil je het uit, luid en onbeheerst. Je schreeuw snijdt door me heen, kust mijn ziel. Ik hoor er zoveel dingen tegelijk in: uitputting, bevrediging, opluchting, Liefde. Met een grote L.
Het doet me pijn, maar het is een mooie vorm van pijn. Pijn die ik zowel fysiek als emotioneel voel en wil koesteren.

Je ligt bovenop me en je hijgt. Je bent moe, je bent al héél lang moe. Je hebt alles wat je nog overhad aan mij gegeven... Ik zou willen dat je nu mocht slapen. Ik dek je wel toe, mijn lief, ik hou de tijd voor je in de gaten. Ik wil niet dat je in de problemen komt, maar sluit je ogen nu even... Rol je op in mijn schoot en laat mij je beschermen. Laat mij één keer voor je zorgen in plaats van andersom. Maar het kan niet... Ik weet wel dat het niet kan. Niet nu.

In het hete bad doe ik alsof er niets aan de hand is, gedraag ik me luchtig. Maar ik zie er tegenop om weer afscheid te nemen... Maar zonder afscheid ook geen euforie als ik je weerzie. Ik omhels je, kus je. Kijk even in je ogen en draai me om.

Nog een paar dagen word ik fysiek aan onze ontmoeting herinnerd... Mijn vulva klopt pijnlijk, diep in me. En ik geniet ervan. Het is het kloppen van je hart dat ik met me mee heb genomen.

Mijn broertje

Hmm, waar zal ik eens beginnen... Ik heb een jeugdvriend. Toen ik een jaar of 16 was, was hij 12 en nog echt een jongetje. Klein voor zijn leeftijd en erg schattig; ik beschouwde hem als mijn kleine broertje en droeg hem overal mee heen op mijn rug. Op een dag probeerde hij me te zoenen omdat hij verliefd op me was. Dat heb ik toen afgeketst. Hij was nog zo'n kind! Wel was ik er erg van gecharmeerd, het deed me wel wat. We verhuisden, veranderden van school en verloren elkaar uit het oog.
Ik had zo'n goeie herinneringen aan hem dat ik zelfs mijn jongste zoon naar hem vernoemde. Wat later vonden we elkaar toevallig op facebook: euforie! Héél leuk, maar toch was alles (voor mij) een beetje anders geworden. Bleek dat hij als tiener schizofrenie ontwikkeld had. Nu was alles al enige jaren onder controle maar hij had zoveel gemist en was in vele opzichten nog steeds de puber van vroeger daardoor. Het voelde alsof hij niet mee met mij volwassen geworden was, maar het was wel gewoon leuk om hem teruggevonden te hebben.
Na veel wikken en wegen ging ik hem opzoeken, nu zowat een jaar geleden. Twee koppen groter dan ik, nog steeds dezelfde prachtige ogen, een volwassen lichaam. Maar ik blééf dat ukje voor me zien van vroeger. De fysieke aantrekkingskracht was te groot en ik bleef slapen. Hij is gelovig en we gingen niet 'all the way' maar het was een verhitte nacht. 's Ochtends sloop ik weg en liet ik een briefje achter. Ik weet niet waarom, ik wou er gewoon wég. We hielden wel contact en ik beloofde snel weer te komen. Het was alsof één of andere kracht in mezelf me bij hem wegduwde. Hij was helemaal weg van me maar ik hield de boot af. Zo ging het een jaar, aantrekken en afstoten, maar geen ontmoeting meer (en dat lag aan mij).
Vorige week stuurde hij een sms, of het goed was als hij op visite kwam? Ik dacht er niet over na en sprong op de trein om hem te halen. Hij is gebleven van vrijdagavond laat tot zondagmiddag. Het was fijn om hem te zien maar ik vond het nu niet meteen een geweldig weekendje. Het was gewoon oke. Manlief vond hem ook gewoon oké, meer niet. Hij sliep in de logeerkamer. Tussen ons is niets gebeurd behalve wat heftig zoenen maar om de één of andere reden had dat een ongekend effect op mijn lichaam. Zo ken ik mezelf niet. Ik ben er écht van geschrokken, en hij ook...
Ik was blij toen hij weer naar huis ging. Ik kan genieten van gezelschap en ik vind het heerlijk om mensen te logeren te hebben, maar ik heb zo'n behoefte aan mezelf, aan me-time. En de meeste bezoekers moet je toch echt wel bezig houden en ze zijn zo 'aanwezig'.
In elk geval, hij is helemaal van de kaart en smoor op me. Maar ik... tja. Ik mag hem. Maar ik kan niet zeggen dat ik verliefd ben. We hebben niks gemeen met elkaar. En hij is nog zo jong voor zijn leeftijd en ziet er ook zo uit, hoewel hij inmiddels bijna 28 is. Het is alsof hij 'achtergebleven' is, zonder dat ik dat persé negatief bedoel. Het niveau tussen ons is zo verschillend... dat klinkt wellicht arrogant maar zo bedoel ik het niet. Hij is nog een jongen. En hij is klef en romantisch en dat ben ik helemaal niet. Hij is zo verliefd... En hij wil deze week alweer terugkomen. Ik heb er zo geen zin in... maar ik kan het hem niet gewoon zo zeggen. Het is al zo lang dat we elkaar aantrekken en afstoten. Ik snap ook niet waar dat vuur in mijn hoofd en mijn lijf vandaan komt als hij me nog maar omhelst. Het is geen pure fysieke aantrekkingskracht want zo zit ik niet in elkaar en zo voelt het ook niet. Ik snap niet wat er aan de hand is en ik weet niet hoe ik hem kan sparen zonder hem voor te liegen. Het is te veel.

I believe I can fly!

Ik zal een jaar of tien geweest zijn.
Het was een zonnige maar winderige zomerdag. Ik stond op het balkon van de flat waar we woonden, op de achtste verdieping. In die tijd had ik nog geen hoogtevrees.

Ik keek naar beneden, naar het groene gras dat blonk in het felle zonlicht. Ik keek naar de wiegende takken van de bomen, ik keek naar de rozenbottelstruiken die bloeiden.

Mijn huid voelde verschroeiend warm aan, maar toch kreeg ik kippenvel door de felle wind...

Toen sprong ik naar beneden. Of nee, ik sprong niet, ik vloog. Alleen niet omhoog, maar omlaag. Ik hoorde een suizend geluid in mijn hoofd. Ik landde veilig, maar met een flinke klap, in de schaduw van een struik. Ik stond recht en nam de lift weer naar boven, alsof er niets onwezenlijks gebeurd was...

Nu ik er aan terugdenk ben ik heel zeker dat ik wist wat ik deed. Het was geen "weten" als in kennis hebben, maar eerder een gevoel, een gevoel van diep vertrouwen en rust. Het hele gebeuren heeft geen verbazing bij me opgeroepen als kind (omwille van het resterende stukje 'puurheid' dat elk kind bezit...? ) maar nu ik volwassen ben duikt het vaak op in mijn herinneringen, en vraag ik me af...

Was het een uittreding, een astrale reis? Een teken...? Ik weet het niet. Ik weet enkel zeker dat het geen droom was.

Ik heb daarna nooit weer bewust zoiets ervaren...

Kom je?

Trillend lig ik te wachten in het donker. Ik probeer al een poosje mijn ademhaling onder controle te krijgen. Om de haverklap gluur ik op mijn gsm om te weten hoe laat het is. De minuten verstrijken traag, té traag.
Ik weet niet eens of je wel komt. Misschien lig ik hier voor niets te wachten en verspil ik kostbare tijd, maar ik kan mezelf me er niet toe brengen om weg te gaan, om iets anders te gaan doen. Je weet maar nooit...

Ik laat mijn handen langs mijn benen glijden om mezelf te verzekeren dat ze helemaal glad zijn, dat ik geen plekje overgeslagen heb. Ik ruik de vage, zoete vanillegeur, en vraag me af of je daar wel van houdt.

Ik krijg het koud, maar ik weiger het dekbed over me heen te trekken, ik wil het risico niet lopen dat ik het te warm krijg en ga zweten. Ik wil dat je me puur, fris en schoon vindt in deze kamer, dat er niets op me aan te merken valt, dat je nergens kan op afknappen.

Weer een uur is verstreken. Mijn handen spelen achteloos met het toefje haar op mijn onderbuik. Ik beeld me in dat het niet mijn hand is, maar de jouwe. Ik voel hoe ik vochtig word. Even maar, héél even, raak ik mezelf aan, dààr... Ik zucht diep en trek mijn hand terug. Ik moet wachten, op jou...

Bijna avond. Nog steeds ben je er niet. Ik word een beetje moedeloos.
Voor de zoveelste maal lees en herlees ik de smsjes die we elkaar de afgelopen dagen gestuurd hebben. De geschreven woorden vormen een film in mijn hoofd. Ik zie hoe we elkaar te lijf gaan, elkaar likken, bijten, wild elkaars lichaam in bezit nemen.
Mijn laatste bericht was dat ik vandaag op je zou wachten. Naakt in het duister.

De uren kruipen voorbij... Ik begin me loom en moe te voelen. Met mijn linkerhand tussen mijn benen val ik in slaap.
Je bent niet gekomen... Misschien morgen dan.

Klant of man?

Het ging goed, de voorbije twee weken. Ik kon eindelijk na jaren weer even normaal kijken naar mijn eigen seksualiteit. Al een poos geen nachtmerries meer erover gehad dus dat scheelt, weer een aantal afspraken gehad waardoor ik niet van mijn eigen lichaam vervreemd, weer toenadering gezocht tot manlief een paar keer - héél onzeker en bang - maar met een prima resultaat. Heb hem gevraagd te ervaren dat het weer beter gaat. Dat hij mijn energie moet opmerken. Dat het geen terugval is als ik me even terugtrek.
Wel drie of vier keer vrijden we op iets langer dan twee weken. Wanneer dat laatst gebeurde kan ik me niet eens meer herinneren. Maar nu wordt hij overmoedig. Ik zou haast kunnen zeggen 'ik heb hem teveel verwend' maar dat is natuurlijk niet zo...
Er is maar één slecht moment nodig om me weer in mijn schulp te doen kruipen. Eén verkeerde beweging. Een half verkeerd woord...
Hij weet al jàren dat ik dichtklap als hij 's ochtends (of 's avonds) in bed met opzet zijn erectie laat pulseren tegen mijn benen of billen. Ik kan het niet hebben! Dan wil ik gillen, roepen, wegrennen en uren onder de douche gaan staan. We hebben het er al zo vaak over gehad in het verleden... en telkens vergeet hij het. Het voelt zo bedreigend...
Het hem nu opnieuw zeggen zou alles wat ik opgebouwd heb teniet doen. Dan zou hij zijn angst zien uitkomen: dat het niet echt beter met me gaat en dat het maar een tijdelijke opflakkering was.
En nu word ik boos. Alsof seks het enige referentiepunt is? Alsof je alleen op dat vlak kan beoordelen of het beter gaat met iemand of niet?
Hij zegt dan wel dat hij dat niet doet, maar ik wéét hoe belangrijk het voor hem is en ik wéét hoe hij er onder lijdt... dus ik ga niks zeggen.
Ik ga zijn penis in mijn rondingen laten porren, ik ga tot tien tellen, tot honderd als dat nodig is. Misschien doe ik wel even alsof hij een klant is en dan heb ik nergens last van.

Foto's lezen

Ik ben al een poosje lid van een pagina waar mediums foto's lezen.
Ze lezen enkel je eigen foto, die van je partner, ouders en kinderen. Ik wou ook wel eens weten hoe het zat, liet iedereen aan de beurt komen. En ja, het klopte wel. Maar iedereen was geweest en ik had er dus eigenlijk verder niks meer te zoeken, maar je blijft toch maar lid.
En dan zie je de foto's van anderen op je prikbord voorbijkomen. Je hebt dan altijd wel een mening over de persoon die er op staat.

Tjee, dat ziet er een driftkikkertje uit!
Ze lacht., maar vanbinnen huilt ze...
Zo'n jonge baby maar al zo'n wijze blik!

Niks bijzonders, dingen die iedereen ziet, toch?

TOCH?

Blijkbaar niet. Ik maakte er een spelletje van en ging personen raden. Als ik dan keek wat de mediums er over te vertellen hadden was het vaak hetzelfde.
Ik ging aan mijzelf en mijn omgeving twijfelen. Zagen andere mensen dat dan niet? Hebben ze misschien een brilletje nodig?
Ik waagde het om mijn twijfel uit te spreken. De mediums waren het er over eens, als ik zo vaak juist 'raadde', dan kwam dat doordat mijn gids me boodschappen gaf.

Ik 'geloof' in het paranormale maar ik ben me er erg van bewust dat er veel charlatans tussen zitten of mensen die denken meer te kunnen dan ze eigenlijk kunnen. Boodschappen van mijn gids? Ik weet dat ik die heb - zoals iedereen - maar ik kon niet zeggen dat ik ermee in contact sta. Ik krijg geen visioenen, ik zie geen beelden, ik ben niet helderhorend, niet heldervoelend, niet helderruikend. Ik heb zelfs nog nooit een overledene gezien of gehoord. Niks, nada. Geen trances waarin ik in tongen raaskal.

Ik kreeg een paar privéberichtjes van onbekenden die mijn bericht gezien hadden. Of ik even - gewoon voor de lol - hun foto wou lezen? Nu, vooruit dan maar. En ik ging weer gezellig raden, verzon verhaaltjes bij de foto's die ik kreeg. Over die baby die volgens mij geesten zag en zelf de reïncarnatie was van een overleden familielid. En dat de moeder verkracht was in haar vroege jeugd en bang was dat haar dochter hetzelfde zou overkomen en daardoor nu zo overbeschermend was.
Over die knappe puberzoon met het grote verantwoordelijkheisgevoel, die zo goed voor zijn moeder zorgde omdat hij haar verdriet zag en voelde, hoe onbaatzuchtig hij was en hoe schuldig zij zich voelde daarover.

Alles klopte voor de volle 100% Mijn net verzonnen sprookjes waren wààr.

Hoe kan dit?
Is dit dan 'mediumschap'? Naar dingen raden die dan juist blijken te zijn?

Maar die dingen zijn toch duidelijk af te lezen aan iemand? Het is makkelijk om één en één op te tellen als je een beetje mensenkennis hebt. Je ziet een foto van iemand die duidelijk verdriet heeft of er moe uit ziet, en het is niet zo moeilijk om te bedenken hoe dat komt. Ik heb geen gave, de anderen zijn blind.

Maar het nieuwtje gaat rond als een lopend vuurtje. Er is een nieuwe die ook foto's kan lezen!! Mijn mailbox stroomt vol. Mensen smeken me om hulp. De beheerders van de pagina willen dat ik mee ga doen als medium.

En ik? Ik ben in de war. En een beetje teleurgesteld.
Mijn hele leven verlang ik er naar om iets speciaals te kunnen. Dit is niet wat ik bedoelde. Dit is niets paranormaals, dit is heel normaal. Waar zijn de toeters en bellen? Waar is de sensatie, de koude rillingen, het geklop of het lichtgeflikker dat me iets wil duidelijk maken?

Ik raad maar gewoon. Maar daar staan al die mensen, die me zo graag iets willen vragen, die allemaal bevestiging zoeken en denken dat ik het antwoord heb.
Ik heb het gevoel dat ik hen bedrieg. Maar ik kan hen niet in de steek laten.

De bizon

Ik wandel door een klein stadje. Ik ben hier nog nooit eerder geweest maar toch voelt het vertrouwd aan. Het is stralend weer, de zon schijnt.
Voor me doemt een figuur op. Een man vermoed ik, een soort van monnik, in een lang donker gewaad met een kap. Hij wenkt me, ik moet hem volgen.
Hij leidt me door de smalle straatjes, eens links, dan weer rechts. Hij houdt halt voor een klein huisje in de rij, kijk even achterom en stapt naar binnen.
Ik blijf staan voor de deur en kijk omhoog. Mijn hand reikt naar de grote deurknop, ik moet me bukken om naar binnen te gaan.

Het duurt even voor mijn ogen aan het halfduister gewend zijn. Ik bevind me in een énorme lege ruimte. Het is er zo groot dat ik niet kan zien waar de zaal eindigt of begint. Her en der zie ik dezelfde figuren lopen als de monnik die me hierheen bracht. Reusachtige, felgekleurde glas-in-loodramen laten het zonlicht naar binnen. Ik zie wat stof dansen in een oranje lichtbundel.

Dan zie ik, enkele meters bij me vandaan, een dier staan. Ik knijp mijn ogen samen om het beter te kunnen zien. Het is een bizon en hij ziet er vervaarlijk uit, monsterlijk bijna. Zijn ogen lijken te gloeien en hij briest luid. Vier monniken proberen hem in bedwang te houden met dikke kettingen. Hij schudt wild met zijn kop, heeft me geroken en staart me aan...

De vier monniken leiden het dier tot bij mij. Ik ben bang. Ik voel een zweetdruppeltje langs mijn slaap glijden. Ik wil wegrennen maar het lukt niet, mijn benen luisteren niet naar me. Ik kan enkel naar de bizon kijken...
Ze komen steeds dichter, tot hij zo dichtbij is dat zijn vacht in mijn neus kriebelt. Dan maken ze hem los. De monniken laten me alleen met het monster.
Ik zie wolkjes adem uit zijn neus komen. Hij besnuffelt me en ik knijp mijn ogen stijf dicht. Ik weet zeker dat hij me zal verslinden, ik ben vast één of ander offer maar dan...

Dan knielt hij voor me. Hij zakt door zijn voorpoten, voor me, op de grond, zijn kop gebogen. Ik zet een stap voorwaarts en leg mijn hand op zijn kop. Hij maakt een tevreden, grommend geluid. Ik omhels hem en de tranen biggelen over mijn wangen.

Dan word ik wakker...
Deze droom heeft me nooit losgelaten en ik heb nooit echt begrepen wat hij betekende.
Ik mis mijn bizon...

Mama

Het is tegenwoordig mode om jezelf te zijn en lak te hebben aan die of dat en je eigen weg te gaan. Ik heb het er al eens eerder over gehad, en toen kwamen we uit dat er een groot verschil is tussen wat mensen zéggen te bewonderen en de praktijk... en dat veel mensen gewoon niet klaar zijn voor anderen die er boven (of onder) uitsteken.
Eén deel van mezelf wil altijd zichzelf zijn. De rare, de 'outcast'. Ik ben trots op dat deel! Het provoceert, het lokt meningen en gedachtes uit en soms raakt het mensen en dat vind ik prachtig. Maar dat deel van mezelf is vaak ook erg eenzaam. Wil er zo graag bijhoren.
Mijn andere deel probeert zich dan aan te passen, tot groot ongenoegen van deel één. Die twee zijn regelmatig in een gevecht!
Deel twee fluistert me in dat ik naar buiten moet gaan. Dat ik me bij een club moet aansluiten of dingen moet gaan doen. Dat ik me moet inschrijven voor een workshop aromatherapie. Want dat is normaal, weet je. Als je een thuisblijfmoeder bent dan hoor je soms uit dat huisje te breken en dingen voor jezelf te doen. Dat is gezond, zeggen ze. Zo hoort het!
Het feit dat ik daar stiekem geen tot weinig behoefte aan had, hield dus in dat ik niet normaal was. Niet normaal = beschadigd. Door gebeurtenissen uit het verleden en gedachtes die er bij me ingeplant zijn en die ik in stand houd, heb ik mezelf wijsgemaakt dat naar buiten gaan en dingen doen niet leuk zijn. Ik MOET dus mijn gedachtepatroon veranderen, aanpassen. Ik moet weer helen zodat ik weer normaal word en zodat mensen zich geen zorgen meer oven me gaan maken. Zodat ik kan leren behangen in de avondschool. Want dat doen actieve moeders nu eenmaal.

Ik heb geleerd dat ik het fout heb! Het is een hele openbaring voor mezelf...
Misschien moet ik helemaal niet 'helen'. Misschien moet ik helemaal geen actieve hedendaagse moeder worden. Ik zegde de aromatherapie af. Waarom? Ik noemde het luiheid, angst, gemakzucht, gewoonte. Maar dat was het niet. Het feit dat ik iets afzeg waarin ik geïnteresseerd ben, waar ik naar uitkeek, waar ik heen kon gaan zonder te veel gedoe, dat wou iets zeggen. Wat wou het me vertellen? Wat maakt dat ik zo veel liever gewoon thuis zit? Ik ben niet bang voor mensen. Ik ontdekte dat ik het moest omdraaien: ik wil niet vermijden om naar buiten te komen, ik wil gewoon héél graag thuis zijn!

En toen dacht ik weer aan mijn eigen kindertijd, mijn moeder. Mama die er altijd was, letterlijk àltijd. Tot in het oneindige. Mama die me van school haalde. Mama die thuis was. Mama die naast me in bed sliep. Mama die naar de winkel ging maar ik die mee moest. Mama mama mama. Overal en altijd, tot ik er een overdosis van kreeg. Ik wou weg, ik wou naar buiten, ik wou dingen doen! Maar dat kon niet. Dat mocht niet! Ik bleef bij haar en ademde letterlijk elk moment van de dag haar geur in.
Nu ben ik vrij. Fysiek ben ik van haar verlost. Ik kan naar buiten wanneer ik wil, met wie ik wil. Ik mag gaan doen wat ik maar wil, word gestimuleerd en krijg alle vrijheid van manlief. Meer vrijheid dan welke vrouw ook, misschien... Maar hier zit ik. Op de bank. In mijn kamerjas... En het voelt heerlijk! Het voelt heerlijk omdat ZIJ er niet meer is. Ik hoef niet meer naar buiten nu. Ik hoef niet meer te vluchten. Als manlief naar zijn werk is en de kinderen zijn op school, ben ik alleen. Alleen zijn is voor mij meer waard dan die gastronomische wandeling voor actieve moeders. Dan geniet ik. Het genot is vaak zo overweldigend dat ik er niet eens van kàn genieten, dat ik er onrustig van word.
Ik ruik haar niet meer. Ik zie haar niet meer. Maar soms hoor ik haar stem nog wel.
Ik weet nu dat ik niet hoef te 'helen'. Het is een groot inzicht dat ik nog niet helemaal kan bevatten...

Ik schrijf

Eindelijk... eindelijk ving ik een glimp op van mezelf.
Ik was zo lang zoekend, vertwijfeld... wie ben ik, wat hoort bij mij en wat niet, welk deel is écht van mij, welk deel is me aangepraat...
Ik haalde diep adem, en liet dan de lucht langzaam puffend weer ontsnappen... In mijn hoofd zei ik een mantra op: laat de angst los; laat de angst los; laat de angst los. Tegelijk probeerde ik mezelf te aarden. Ik zat met gekruiste benen en ik stelde me voor dat er vanuit mijn staartbeentje sterke, lange, stralend gouden wortels groeiden die pijlsnel de aarde in schoten en zich daar verankerden. Intussen bleef ik het herhalen: laat de angst los; laat de angst los...

Ik opende mijn ogen en keek voor me uit. Er gebeurde niets... Tot ik plots iets zag bewegen in mijn ooghoek. Ik keek opzij. Niks. Het was vast mijn geest die een spelletje met me speelde.
Toen zag ik het opnieuw! Voorzichtig draaide ik mijn hoofd, en zag mezelf. Daar zat ik, aan de andere kant van de kamer. Mijn andere 'ik' keek even op, glimlachte verlegen naar me en ging dan weer verder met waar ze mee bezig was.
Vreemd genoeg was ik niet verbaasd mezelf daar te zien zitten. Ik was nieuwsgierig, wou weten wat 'ik' aan het doen was. Ik stond op en wandelde naar haar toe, hurkte toen ik bij haar aangekomen was.
'Ik' was aan het schrijven. Tientallen, misschien wel honderden volgeschreven vellen lagen rondom haar verspreid. Ze had een blauwe balpen stevig in haar kleine hand geklemd en ik hoorde hoe het balletje zachtjes een tikkend geluid maakte bij elk woord dat ze schreef. Ze zag er gelukkig uit, verwoed en intens bezig, maar toch in haar eigen oase van rust.

Toen keek ze weer naar me op. Ze glimlachte bemoedigend toen ze een leeg vel over de grond naar me toeschoof en haar balpen naar me uitstak. Ze knikte naar me, 'toe dan', leek ze te zeggen, 'schrijf'.
Verbaasd nam ik de pen van haar aan. Ze voelde gloeiend heet, en toch deed het geen pijn, verbrandde ik me niet. Ik bracht de pen naar het lege vel papier dat ik van haar gekregen had. Plots ging alles vanzelf. De woorden vloeiden en de pen gleed over het papier als werd ze bestuurd door een onzichtbare kracht. Steeds vlotter en sneller. Ik sloot mijn ogen en huilde. Gelukzaligheid is soms zo moeilijk te verdragen...